Hof van Cassatie schept helderheid in de saga over de onmogelijkheid tot directe douanevertegenwoordiging in België
Het Hof van Cassatie bevestigt in 16 nieuwe arresten: douanevertegenwoordigers zijn niet hoofdelijk aansprakelijk wegens verhindering directe vertegenwoordiging door Belgische Staat, ten minste als zij gebruik wensten te maken van directe vertegenwoordiging.
De langlopende discussie over de directe douanevertegenwoordiging heeft jarenlang voor onzekerheid gezorgd binnen de Belgische logistieke en douanesector. Douanevertegenwoordigers werden tot april 2017 in de praktijk gedwongen om als indirect vertegenwoordiger op te treden, met als gevolg dat zij automatisch en hoofdelijk aansprakelijk werden voor navordering van douaneschulden (maar ook antidumpingrechten en compenserende rechten) van hun klanten. Die praktijk botste met het Europees douanerecht, dat vereist dat het systeem van directe vertegenwoordiging niet alleen wettelijk moet zijn voorzien, maar ook in de praktijk moet kunnen worden toegepast.
Met zijn arrest van 24 januari 2025 zette het Hof van Cassatie een eerste belangrijke stap. Het Hof oordeelde dat de Belgische wetgeving de directe vertegenwoordiging weliswaar nooit heeft verboden, maar ook dat de Belgische Staat het effectief mogelijk moest maken om douaneaangiften als direct vertegenwoordiger in te dienen. Dit was tot april 2017 niet het geval. Feitenrechters dienden dus na te gaan of de douanevertegenwoordiger, indien de keuze van het type douanevertegenwoordiging wél vrij was geweest, daadwerkelijk had willen optreden als directe vertegenwoordiger. Alleen dan zou de opgelegde hoofdelijke aansprakelijkheid buiten toepassing worden gelaten.
Op 6 november 2025 heeft het Hof van Cassatie deze rechtspraak op indrukwekkende wijze bevestigd en geconsolideerd. In maar liefst 16 arresten heeft het Hof de eerder ingezette lijn consequent doorgetrokken.
Deze 16 arresten kunnen worden onderverdeeld in twee groepen, afhankelijk van de motivering van de feitenrechter.
De zaken waar het de feitenrechter had vastgesteld dat de douanevertegenwoordiger als directe vertegenwoordiger had willen optreden
In deze zaken had de feitenrechter geoordeeld dat de douanevertegenwoordiger – als hij de mogelijkheid had gekregen – had gekozen voor de directe vertegenwoordiging. In al deze zaken heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de feitenrechter terecht de hoofdelijke aansprakelijkheid van de douanevertegenwoordiger heeft afgewezen.
Hiermee bevestigt het Hof uitdrukkelijk dat:
De wil tot directe vertegenwoordiging, indien aangetoond, volstaat om de gevolgen van de foutieve administratieve praktijk (de opgelegde indirecte douanevertegenwoordiging) ongedaan te maken.
De douanevertegenwoordigers in deze zaken niet hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor een navordering die ten aanzien van de bestemmeling van de goederen (de primair douaneschuldenaar) wordt gevestigd.
De zaken waar de feitenrechter geen expliciete vaststelling had gedaan over de intentie van de douanevertegenwoordiger om al dan niet als directe vertegenwoordiger te willen optreden
In deze zaken had de feitenrechter niet onderzocht of de douanevertegenwoordiger had willen optreden als directe vertegenwoordiger.
In deze zaken vernietigde het Hof van Cassatie de beslissing van de feitenrechter.
De boodschap is duidelijk: het onderzoek naar de intentie van de douanevertegenwoordiger is geen formaliteit, maar een essentieel onderdeel dat de feitenrechter uitdrukkelijk moet beoordelen. Zonder die beoordeling kan de rechter niet zomaar beslissen dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de douanevertegenwoordiger komt te vervallen.
Het is dus uitermate belangrijk dat de douanevertegenwoordiger aan de feitenrechter vraagt om dit onderzoek te voeren.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Deze cassatiearresten bieden (eindelijk) duidelijkheid in een juridische saga die al meer dan 10 jaar aansleept. Voor douanevertegenwoordigers is dit een belangrijke bevestiging dat zij niet zonder meer kunnen worden aangesproken voor douaneschulden die voortkomen uit aangiften die zij in de praktijk noodgedwongen als indirect vertegenwoordiger moesten indienen.
Deze rechtspraak van het Hof van Cassatie maakt bovendien duidelijk dat douanevertegenwoordigers geen onmogelijk bewijs moeten leveren van een keuze die ze destijds feitelijk niet konden maken. Feitenrechters moeten wel zorgvuldig en expliciet motiveren of er een reële kans bestond dat douanevertegenwoordigers voor directe vertegenwoordiging zouden hebben gekozen als hen de kans zou zijn aangeboden.
Nu de directe vertegenwoordiging sinds 2017 (ook) in België in de praktijk mogelijk is, lopen de oude geschillendossiers stilaan af. Met deze 16 arresten lijkt de juridische veldslag stilaan in een definitieve plooi te vallen in het voordeel van de douanevertegenwoordigers die jarenlang disproportionele aansprakelijkheidsrisico’s droegen.
Quadrant Advocaten stond verschillende douanevertegenwoordigers bij in deze juridische slijtageslag. Als u meer informatie wenst te bekomen over het onderwerp kan u ons steeds contacteren via de contactgegevens op onze website.