Ten onrechte betaalde/geborgde douanerechten: heeft u ook recht op interesten?
Wie als importeur of douanevertegenwoordiger geconfronteerd wordt met een navordering van douanerechten of antidumpingrechten, stelt een borg of betaalt onder voorbehoud, vaak jaren voordat de rechtszaak achter de rug is. Wint u die procedure uiteindelijk, dan krijgt u het bedrag terug. Maar heeft u ook recht op interesten voor de jaren dat u niet over dat geld kon beschikken? Het Hof van Beroep te Brussel boog zich recent over precies die vraag. Wij zetten de uitspraak voor u uiteen en lichten toe waar onze douanepraktijk u hierbij kan bijstaan.
Het uitgangspunt: geen interesten volgens de douanewetgeving
Wie de tekst van het Douanewetboek van de Unie (DWU) erop naslaat, zou een negatief antwoord verwachten. Artikel 116, lid 6 DWU bepaalt met zoveel woorden dat terugbetaling door de douaneautoriteiten geen aanleiding geeft tot betaling van rente. Enkel wanneer de douane een beslissing tot terugbetaling niet binnen drie maanden effectief uitvoert, is er (moratoire) interest verschuldigd, en dan nog enkel over die vertraging in de uitvoering, niet over de volledige periode dat het geld ten onrechte in de Schatkist zat. Onder het vroegere Communautair Douanewetboek (CDW) gold, in artikel 241, dezelfde regel.
Op basis van deze bepalingen verdedigt de douaneadministratie doorgaans dat een (vermeende) douaneschuldenaar die na jaren procederen gelijk krijgt (en tijdens die procedure de betwiste douaneschuld heeft geborgd), wél zijn centen terugkrijgt, maar zonder vergoeding voor de periode dat hij daar niet over kon beschikken, soms vijf, zes jaar of langer. Voor procedures waar de inzet al snel in de honderdduizenden euro's loopt, is dat geen onbelangrijke kwestie, en het is een discussie die wij in onze praktijk geregeld tegenkomen.
De kentering: rechtspraak van het Hof van Justitie
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft deze strikte lezing van artikel 241 CDW / 116 lid 6 DWU echter al een tijd genuanceerd. In het arrest Wortmann (18 januari 2017) oordeelde het Hof dat de tekst van artikel 241 CDW niet uitsluit dat er, los van die bepaling, een unierechtelijke verplichting bestaat om in strijd met het Unierecht geheven bedragen mét interest terug te betalen. Dat werd bevestigd in het arrest Deichmann (15 maart 2018), weliswaar telkens in de specifieke context van de terugbetaling van antidumpingrechten na de ongeldigverklaring van een antidumpingverordening.
De douaneadministratie beriep zich er in latere procedures op dat deze rechtspraak beperkt zou blijven tot die specifieke situatie (de ongeldigverklaring van een Europese verordening) en niet zou gelden wanneer de fout eenvoudigweg bij de nationale douaneautoriteiten zelf lag (bijvoorbeeld een verkeerde tariefindeling). Het Hof van Justitie heeft dat onderscheid nadien weggewerkt. In zijn arrest van 28 april 2022 (gevoegde zaken C-415/20, C-419/20 en C-427/20) stelde het Hof uitdrukkelijk dat het recht op terugbetaling mét interest de uitdrukking is van een algemeen beginsel van Unierecht. De toepassing ervan is niet beperkt tot bepaalde soorten schendingen: het recht op interest ontstaat telkens wanneer een nationale overheid een heffing heeft opgelegd door een Unierechtelijke handeling, of een nationale regeling ter uitvoering daarvan, toe te passen op een manier die achteraf onjuist blijkt.
De toepassing door het Hof van Beroep Brussel
In een recent eindarrest van de Fiscale Kamer van het Hof van Beroep te Brussel (1 april 2026) paste het hof deze ruimere lijn voor het eerst zeer expliciet toe op een zuiver "interne" douanefout: de administratie had, na jaren dezelfde indeling te hebben aanvaard, plots geoordeeld dat bepaalde ingevoerde goederen onder een andere tariefpost thuishoorden, met een navordering van antidumpingrechten tot gevolg. Uiteindelijk bleek die koerswijziging onterecht: het hof bevestigde de oorspronkelijke, correcte tariefindeling en oordeelde dat er nooit antidumpingrechten verschuldigd waren.
Het interessante zit in wat daarna volgt. Het hof kwalificeert de door vermeende overtreden geborgde/betaalde som uitdrukkelijk als een onverschuldigde betaling die het gevolg is van een onjuiste toepassing van het Unierecht door een nationale overheid. Dat is precies het geval waarin het arrest van 28 april 2022 een recht op interest toekent, zonder dat daarvoor een gekwalificeerde fout of kwade trouw van de Staat moet worden aangetoond. H eigen, beperkte interestregeling van de douanewetgeving zelf). Het hof oordeelt daarbij dat Artikel 241 CDW / 116 DWU dat recht niet uitsluit; het regelt enkel iets anders (de
Vervolgens moest het hof een praktisch probleem oplossen: als het recht op interest uit het Unierecht volgt, maar het Unierecht zelf geen rentevoet of berekeningswijze voorschrijft, welke regeling is dan van toepassing? Het hof valt hiervoor terug op het interne Belgische recht, met dien verstande dat de nationale regeling het Unierechtelijke gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel moet respecteren. Concreet:
de grondslag voor de interest wordt gevonden in de artikelen over onverschuldigde betaling en moratoire interesten van het Burgerlijk Wetboek;
bij gebrek aan een specifieke douanerechtelijke rentevoet, past het hof de wettelijke rentevoet in fiscale zaken toe (artikel 2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest), dezelfde rentevoet die geldt bij de terugbetaling van te veel betaalde belastingen;
de interest loopt vanaf de datum van de (onterechte) betaling of borgstelling tot de dag van de effectieve terugbetaling, dus over de volledige periode, niet enkel vanaf een eventuele latere ingebrekestelling.
De Douane heeft nog de mogelijkheid om een cassatieprocedure op te starten tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel.
Wat betekent dit voor uw dossier?
Voor importeurs, douane-expediteurs en andere douanevertegenwoordigers die een navordering betwisten, heeft dit arrest concrete gevolgen:
Vorder de interest mee, systematisch. Wie een borgstelling of betaling onder voorbehoud doet naar aanleiding van een uitnodiging tot betaling, en nadien in het gelijk wordt gesteld, mag zich niet tevredenstellen met de loutere terugbetaling van het kapitaal. Op grond van het besproken arrest kan (en moet, uit voorzichtigheid) de vordering tot terugbetaling systematisch vergezeld worden van een vordering tot interesten, berekend vanaf de datum van betaling.
Dit gaat verder dan antidumpingdossiers. Hoewel de eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie zich toespitste op de ongeldigverklaring van antidumpingverordeningen, bevestigt dit arrest dat de redenering evenzeer geldt wanneer de onjuiste toepassing van de douanewet bij de Belgische douaneadministratie zelf ligt, bijvoorbeeld bij een betwiste tariefindeling, een verkeerde oorsprongsbepaling of een onterecht geweigerde vrijstelling. Het gaat dus om een algemeen bruikbaar argument in vrijwel elk douanegeschil waarbij geld werd geborgd of betaald dat achteraf niet verschuldigd bleek.
Reken op de wettelijke rentevoet in fiscale zaken, niet op de (lagere) Europese herfinancieringsrente. De administratie verwijst in dit soort dossiers vaak naar artikel 112 DWU, dat voor andere gevallen uitgaat van de rentevoet van de Europese Centrale Bank vermeerderd met één procentpunt, een aanzienlijk lager tarief. Dit arrest bevestigt dat die bepaling hier niet van toepassing is, en dat de hogere wettelijke rentevoet in fiscale zaken de correcte maatstaf is.
Hoe Quadrant Advocaten u hierbij kan bijstaan
Onze douanecel staat al jaren importeurs, douane-expediteurs, verzekeraars en andere logistieke spelers bij in geschillen met de douaneadministratie. Met betrekking tot interesten bij terugbetaling kunnen wij concreet:
uw lopende of afgesloten douanedossiers doorlichten om na te gaan of u recht heeft op een interestvergoeding op eerder terugbetaalde of nog te recupereren borgstellingen en betalingen onder voorbehoud, ook in dossiers die al langer geleden werden afgesloten;
de interestvordering correct becijferen en formeel indienen, met de juiste rentevoet en vanaf de juiste aanvangsdatum, zodat u niet louter het kapitaal maar ook de volledige interestperiode recupereert;
bezwaar en administratief beroep aantekenen tegen uitnodigingen tot betaling wanneer u meent dat een navordering (antidumpingrechten, tariefindeling, oorsprong, vrijstellingen) onterecht is, en u begeleiden bij de te stellen borgstelling of betaling onder voorbehoud;
de procedure voor de rechtbank en desgevallend in hoger beroep voeren, met kennis van de recentste rechtspraak van het Hof van Justitie en de Belgische hoven van beroep op dit vlak;
u adviseren bij nieuwe navorderingen, zodat u van bij de start weet welke bedragen u kunt terugvorderen (inclusief interesten) mocht u in het gelijk worden gesteld.
Heeft u een lopend of afgesloten douanedossier waarin u mogelijk recht heeft op een interestvergoeding, of wordt u geconfronteerd met een gelijkaardige situatie? Neem gerust contact op met Quadrant Advocaten voor een concrete beoordeling van uw dossier.