De Badboot: what’s in a name?

Op 29 januari 2026 sprak het Hof van Cassatie zich voor de tweede keer uit in de Badboot‑zaak, die is uitgegroeid tot een principiële discussie met grote impact voor scheepseigenaars en hun verzekeraars. De discussie gaat om de vraag: wanneer kan een inrichting op het water aanspraak maken op aansprakelijkheidsbeperking onder het LLMCverdrag?  

De “Badboot” was een voormalige duwbakcombinatie die werd omgebouwd tot een drijvend openbaar zwembad. Na het zinken ervan in 2015 wensten de eigenaar en diens verzekeraars hun aansprakelijkheid te beperken via een limitatiefonds op grond van het LLMC‑verdrag van 1976, zoals dat in België is doorgetrokken naar de binnenvaart via artikel 273 van de Belgische Zeewet. Het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen en de Stad Antwerpen tekenden verzet aan tegen dit limitatiefonds. De kernvraag is daarbij steeds dezelfde gebleven: kwalificeert de Badboot als een (binnen)vaartuig of een daarmee gelijkgestelde inrichting?  

De procedure kende tot op vandaag een zeer grillig parcours: 

  • Het Hof van beroep Antwerpen oordeelde in 2021 dat de Badboot geen vaartuig noch een drijvend tuig was, en dus geen aanspraak kon maken op aansprakelijkheidsbeperking. 

  • Dat arrest werd verbroken door het Hof van Cassatie in september 2022, dat een ruime definitie van “vaartuig” hanteerde: elk drijvend tuig dat vatbaar is voor verplaatsing over het water en niet duurzaam met het land of de bodem verbonden is.  

  • Het Hof van beroep Gent paste die definitie toe, maar besloot in 2024 opnieuw negatief, onder meer omdat de Badboot volgens het Hof feitelijk te sterk (“duurzaam”) met het land verbonden was én omdat haar exploitatie geen verband hield met een scheepvaartverrichting. 

  • Ook dit arrest werd nu verbroken door het Hof van Cassatie.  

In zijn arrest van 29 januari 2026 zet het Hof van Cassatie twee belangrijke bakens uit die voor de praktijk essentieel zijn. 

Ten eerste corrigeert het Hof de wijze waarop het Hof van beroep Gent de feiten had beoordeeld. Door elementen uit het deskundigenverslag en offertes op een manier te lezen die onverenigbaar was met hun bewoordingen, had het Hof van beroep de bewijskracht van die stukken miskend. 

Ten tweede – en minstens even belangrijk – maakt het Hof korte metten met de redenering dat aansprakelijkheidsbeperking enkel mogelijk zou zijn bij een (al dan niet winstgevende) scheepvaartverrichting. Die bijkomende voorwaarde vindt volgens het Hof geen enkele wettelijke basis en mag dus niet worden opgelegd.  

Na één vonnis en vier arresten is de juridische saga dus nog niet ten einde. De centrale vraag blijft voorlopig onbeantwoord: is de Badboot een (binnen)vaartuig in de zin van artikel 273 Zeewet, en kunnen eigenaar en verzekeraars een limitatiefonds stellen?  

Eén zaak staat wel vast: deze rechtspraak zal nog lange tijd een referentiepunt blijven voor discussies over beperkingsfondsen, met name waar nieuwe vormen van watergebonden exploitatie in aanmerking lijken te komen voor aansprakelijkheidsberking.

Volgende
Volgende

Cassatie verduidelijkt: Wanneer is de directe douanevertegenwoordiger toch nog gehouden als douaneschuldenaar voor nagevorderde rechten in geval van foutieve aangifte?